Fytotherapie

In het dagelijks leven maken we heel veel gebruik van planten. Meubels, boeken en kleren zijn ervan gemaakt, we zetten ze op de vensterbank, we geven ze cadeau, we eten en drinken ze in de vorm van groenten, sappen, koffie en thee en als je fabrikanten mag geloven zit er fruit of kruid in shampoos en andere verzorgingsproducten. Het gebruik van planten door mensen is zo oud als de mensheid zelf. Zo ook het gebruik ervan voor medicinale doeleinden. In de laatste twee eeuwen zijn door voortschrijdende inzichten op technologisch en wetenschappelijk gebied de toepassingsmogelijkheden van planten veel meer uitgebreid en kunnen de medicinale werkingsmechanismen van planten beter verklaard worden.

Van kleitablet naar synthetiseren
Sinds het ontstaan van de mens heeft men geleerd gebruik te maken van planten (en bomen, struiken enz.). Deze dienden – en dienen nog steeds – als voeding, bouwmateriaal, gebruiksvoorwerpen en ter verlichting en genezing van aandoeningen. Het inzetten van planten voor medicinale doeleinden is het terrein van fytotherapie. Wereldwijd maakt tegenwoordig nog 80% tot 90% van de wereldbevolking voornamelijk gebruik van fytotherapie, aldus schattingen van de Wereldgezondheidsorganisatie van de Verenigde Naties.[1]

Dat de mens al zo lang planten voor medicinale doeleinden gebruikt, weten we doordat er oude teksten zijn gevonden die planten beschrijven met de medicinale toepassingen ervan. De Assyriërs en Babyloniërs bijvoorbeeld hielden op kleitabletten hun medische inzichten bij.[2] Door observatie en ervaring leerde de mens planten medicinaal te gebruiken en in de loop van vele eeuwen werd dit gebruik geperfectioneerd.

In de 19e eeuw brachten ontwikkelingen in de wetenschap een aantal nieuwe toepassingsmogelijkheden voort, zoals standaardisering, isolatie en zuivering van inhoudsstoffen en het synthetisch namaken ervan. Vanaf die tijd kan bovendien de empirische kennis van weleer worden bevestigd middels laboratorium- en klinisch onderzoek.

Isolatie
De ontdekking van het isoleren van inhoudsstoffen heeft het mogelijk gemaakt een aantal planten veiliger te gebruiken. Zo zijn bijvoorbeeld vingerhoedskruidsoorten (Digitalis spp.), wanneer de plant zelf wordt gebruikt, erg moeilijk om goed te doseren. Dit vanwege onder andere de hoge toxiciteit of smalle therapeutische breedte van de plant. De plant komt in Nederland algemeen voor en aan kinderen wordt vaak terecht verteld er af te blijven. De plant in z’n geheel is inderdaad erg giftig, maar digoxine, een van de glycoside inhoudsstoffen, wordt in gezuiverde, geïsoleerde vorm gebruikt bij hartklachten. Dankzij isolatie kan dit nu zeer nauwkeurig worden toegediend.[3]

Dergelijke toxische planten, of geïsoleerde stoffen in het algemeen, worden niet gebruikt door fytotherapeuten.

Synergie
Isolatie van een enkele inhoudsstof heeft echter ook een keerzijde: de synergie gaat verloren. Een plant is in feite een chemische fabriek waarin veel verschillende stoffen gemaakt worden. Deze stoffen werken onderling samen en kunnen elkaar bijvoorbeeld versterken of tegenwerken.

Het komt voor dat een geïsoleerde inhoudsstof minder effect heeft dan een extract van de hele plant of een onderdeel ervan. Een voorbeeld is Zomeralsem (Artemisia annua L.), een plant die de basis vormt voor een ‘nieuw’ medicijn tegen malaria: artemisinine. De gezuiverde, geïsoleerde inhoudsstof van deze plant blijkt minder effectief dan een infuus (thee) van de bladeren. Phillipson et al. (1995) tonen aan dat ‘thee’ van de bladeren van deze Artemisia met een totale hoeveelheid van 60 mg artemisinine, ingenomen gedurende vijf dagen, even effectief is als de standaard dosering van 500-1000 mg  gezuiverde artemisinine, gedurende dezelfde periode.[4] De synergie van de verschillende inhoudsstoffen in de plant versterkt het effect van de enkele inhoudsstof, waarvan in gezuiverde vorm veel meer nodig is om eenzelfde effect te bereiken.

Een ander voorbeeld van een synergetisch effect binnen een plant is de expectorerende (ophoesten bevorderende) werking van Tijm (Thymus vulgaris L.). Deze is sterker wanneer de gehele bovengrondse delen van deze plant gebruikt worden, dan wanneer alleen de etherische olie wordt gebruikt. De componenten van de etherische olie lijken versterkt te worden door andere inhoudsstoffen.[5]

Synergie of synthetisering: Wilg en aspirine
Het is ook mogelijk dat ongewenste bijeffecten van de ene inhoudsstof worden verminderd door andere inhoudsstoffen. Een bekend voorbeeld hiervan is Wilg (Salix spp.) en Aspirine. De werkzaamheid van dit pilletje is gebaseerd op salicine, een stof die onder andere voorkomt in de Wilg. De Assyriërs en Babyloniërs kenden al de pijnstillende, koortsverlagende en ontstekingsremmende werking van deze boom en beschreven die op kleitabletten.

Duizenden jaren later, in 1829, isoleerde een Franse apotheker dankzij nieuwe wetenschappelijke technieken een gezuiverde inhoudsstof van Wilg die verantwoordelijk wordt gehouden voor de werking: salicine. Een paar jaar later bereidde de chemicus Raffael Pira uit salicine salicylzuur, dat in 1859 voor het eerst synthetisch werd nagemaakt. Dit middel veroorzaakte echter ernstige maagklachten. Toen eind 19e eeuw salicylzuur verbonden werd met azijnzuur ontstond er een stof die milder is voor de maag: acetylsalicylzuur. Dit is de huidige aspirine.[6]

Echter, gezuiverde salicine en ook acetylsalicylzuur, zonder de andere inhoudsstoffen van de Wilg, blijken schadelijker voor de maag te zijn dan een extract van wilgenbast. De looistoffen in de bast voorkomen irritatie van de maag: het effect van samenwerking is groter dan wat de afzonderlijke stoffen zouden kunnen bereiken.[7]

Standaardisatie
Een andere verworvenheid van de moderne tijd is de mogelijkheid om kruidenpreparaten te standaardiseren. Een plant is onderhevig aan allerlei invloeden, zoals onder andere de hoeveelheid zon en regen en de bodemgesteldheid. Deze factoren bepalen mede de concentratie en samenstelling van geneeskrachtige inhoudsstoffen in planten. Deze is dus niet constant, wat een nadeel kan zijn als de concentratie van een medicijn in het bloed op een bepaald niveau gehouden moet worden.

Het is tegenwoordig mogelijk om fytotherapeutische producten te maken waarin een gestandaardiseerde hoeveelheid van een bepaalde inhoudsstof zit, met behoud van de overige inhoudsstoffen. Bij isolatie en zuivering gaan die laatsten verloren, maar bij standaardisatie van plantenextracten niet. Een gestandaardiseerd product garandeert een constante aanvoer van een middel en een gelijkmatige bloedspiegel. Tevens biedt zo’n product de voordelen van de synergie in de plant.

Inspiratie
Planten vormen nog steeds een bron van inspiratie voor de ontwikkeling van nieuwe medicijnen. Afhankelijk van de definitie van wat een natuurlijk product is of een afgeleide daarvan, heeft 25% tot 50% van de geneesmiddelen die tussen 1981 en 2006 op de markt kwamen een natuurlijke oorsprong. Als het gaat om cytostatica (‘chemo’) en antimicrobiële middelen (bijvoorbeeld antibiotica) wordt geschat dat zelfs tweederde van deze middelen is afgeleid van natuurlijke producten. Uiteraard betreft het hier niet alleen planten, maar bijvoorbeeld ook schimmels (antibiotica).[8]

Andere geneesmiddelen die zijn afgeleid van planten zijn bijvoorbeeld Kinine (Cinchona ledgeriana Moens ex.), Morfine en Codeïne (Papaver somniferum L.), Atropine (Atropa belladonna L.), Colchicine (Colchicum autumnale L.), Vinblastine en Vincristine (Cantharus roseus L.) Taxol (Taxus brevifolia Nutt.) en nog veel meer.[9]

Er is nog een heleboel te ontdekken, want volgens schattingen is slechts 5% van de tropische plantensoorten onderzocht op medicinale kwaliteiten. De toenemende noodzaak om nieuwe geneesmiddelen te ontwikkelen heeft ertoe geleid dat de farmaceutische industrie steeds vaker de oerwouden intrekt, op zoek naar grondstoffen voor nieuwe geneesmiddelen. Zo was er bijvoorbeeld in 1983 in de VS geen enkel (farmaceutisch) bedrijf betrokken in plantenonderzoek in ontwikkelingslanden, in 2002 waren dit er al meer dan tweehonderd.[10] Het regenwoud kan met recht de grootste en rijkste apotheek van deze planeet genoemd worden.

Basis
De mens gebruikt sinds haar bestaan planten voor allerlei doeleinden. Fytotherapie is het medicinaal toepassen van planten. Het is de basis van de moderne geneeskunde en farmacie. Fytotherapie is gebaseerd op overgeleverde empirische kennis van het medisch gebruik van planten, in combinatie met moderne wetenschappelijke bevindingen.

Hedendaagse technieken kunnen empirische bevindingen bevestigen en door isolatie is het gebruik van een aantal planten veiliger geworden. Bovendien heeft een groot deel van de huidige geneesmiddelen een plantaardige oorsprong en dienen planten nog steeds als bron voor nieuwe medicijnen. In de oerwouden ligt dan ook een groot potentieel te wachten om ontdekt te worden.

Fytotherapie maakt gebruik van de synergetische werking van inhoudsstoffen van planten in plaats van geïsoleerde en gezuiverde, of gesynthetiseerde stoffen. Dit vormt een mooie aanvulling op het huidige farmaceutische aanbod, want zoals planten laten zien, geldt ook hier dat het effect van samenwerking tussen geneeskunde en fytotherapie groter is dan elk van de vakgebieden afzonderlijk zouden kunnen bereiken.

 

© Maaike van Kregten 2013

 



[1] K.G. Ramawat (Ed.) Herbal Drugs: Ethnomedicine to Modern Medicine. Berlijn: Springer, 2009: 3, 34.
[2] Algera, Margreet. Mens en medicijn. Geschiedenis van het geneesmiddel. Amsterdam: Meulenhoff, 2000: 351- 354.
[3] Idem: 313-317.
[4] Leland J. Cseke [et al.]. Natural Products from Plants. Boca Raton: CRC Press, 2006: 481.
[5] Van Meer, J.H. “Onderzoek naar synergie in fytotherapeutica”. Nederlands tijdschrift voor fytotherapie 19, 3: 22-23, 2006.
[6] Algera, Margreet (2000): 351- 354.
[7] Duke, James A. The Green Pharmacy Herbal Handbook. New York: St. Martin’s Press, 2002: 206, 308-310 en Schulz, V., Hänsel, R., Blumenthal, M. en Tyler, V. Rational Phytotherapy. A Reference Guide for Physicians and Pharmacists. Berlijn, Springer, 2004: 197-8, 353-4 en Verhelst, Geert. Groot handboek geneeskrachtige planten. Wevelgem: Mannavita, 2008: 492.
[8] Kingston, David G. I. “Modern Natural Products Drug Discovery and its Relevance to Biodiversity Conservation.” Journal of Natural Products 74: 496–511, 2011.
[9] Iwu, Maurice M. en Wootton, Jacqueline C. (ed.). Advances in Phytomedicine Volume One. Ethnomedicine and Drug Discovery. Amsterdam: Elsevier, 2002: 314-316.
[10] Zakrzewski, Peter A. “Bioprospecting or Biopiracy? The Pharmaceutical Industry’s Use of Indigenous Medicinal Plants as a Source of Potential Drug Candidates” University of Toronto Medical Journal 79, 3: 252-254, 2002.