Erythroxylum spp. (‘coca’): een veelzijdige en controversiële geneesplant

Erythroxylum spp, beter bekend als ‘coca’, vormen al duizenden jaren een essentieel onderdeel van verschillende culturen in Latijns-Amerika. Coca wordt gebruikt bij sociale interacties, als medicijn, voeding en in magisch-religieuze rituelen. Vanwege een van de inhoudsstoffen, cocaïne, zijn de planten verboden en in 1961 opgenomen in de Single Convention on Narcotics. De controverse die rondom coca, cocaïne en derivaten daarvan is ontstaan, heeft grote invloed op onderzoek naar de medicinale werking ervan. Dit artikel bespreekt een aantal van de effecten van coca die in Europa het meest bekend zijn, namelijk die op honger, hoogte, koude en uithoudingsvermogen.

Maaike van Kregten, Nederlands Tijdschrift voor Fytotherapie 2016 (29); 3:15-18.

De cocaplant behoort tot het geslacht Erythroxylum P. Browne van de tropische plantenfamilie Erythroxylaceae. De etnobotanist Timothy Plowman (1944-1989) heeft deze plantenfamilie het meest uitgebreid onderzocht. Hij geeft aan dat het geslacht uit ongeveer 230 soorten bestaat, waarvan de meeste in de tropische regio’s van de Amerikaanse continenten voorkomen en er 187 inheems zijn in de tropen. Daarnaast komen ze voor in Afrika, Madagaskar, India, tropisch Azië en Oceanië. Plowman onderscheidde twee gecultiveerde soorten die bekend zijn als ‘coca’, namelijk Erythroxylum coca Lam. en E. novogranatense (D. Morris) Hieron, met vier ondersoorten: E. coca var. coca, E. coca var. ipadu Plowman, E. novogranatense var. novogranatense en E. novogranatense var. truxillense (Rusby) Plowman. Hoewel deze soorten onderlinge verschillen vertonen in de samenstelling van de inhoudsstoffen, bevatten al deze gecultiveerde soorten cocaïne.

Niet elke wilde soort bevat deze alkaloïde, maar toch worden buiten Latijns-Amerika de wilde soorten ook gebruikt in de traditionele geneeskunde [1,2]. De plant is waarschijnlijk ongeveer vierduizend jaar geleden in cultuur gebracht van Nicaragua tot aan Chili. Zij werd in de bergen op terrassen gekweekt (E. coca) of op vlakke grond (E. novogranatense) in Venezuela, Colombia, Ecuador, Peru, Bolivia en misschien het noorden van Chili [3]. Coca wordt beschouwd als de oudste gecultiveerde plant op het Zuid-Amerikaanse continent [4]. Archeologische vondsten van bijvoorbeeld keramiek, mummies en coca-parafernalia tonen aan dat coca een belangrijke plaats had in verschillende precolumbiaanse culturen. De oudste gevonden aanwijzingen daarvan dateren van circa 2500-1800 BC en zijn ontdekt in Huaca Prieta aan de noordkust van Peru [1,3,4,5]. Deze vondsten tonen tevens aan dat de manier waarop coca wordt gebruikt nagenoeg hetzelfde is gebleven.

Coca is nog steeds een populair geneesmiddel in Zuid-Amerika en het is in verschillende vormen verkrijgbaar. Er zijn ongeveer zeventig verschillende volksmiddelen gebaseerd op coca en zo’n 80% van de rurale bevolking van de Andes gebruikt coca tegen uiteenlopende aandoeningen en kwalen. Het wordt het meest gebruikt door te ‘kauwen’ en als mate de coca (cocathee), maar men maakt er ook cataplasma’s van of legt het blad op een pijnlijke plek, al dan niet voorgekauwd [6]. De in Europa meest bekende toepassingen zijn bij pijn, vermoeidheid, honger en kou, maar het wordt ook gebruikt bij maagpijn, darmkrampen, misselijkheid, indigestie, constipatie en diarree. Het zou regulerend werken op het spijsverteringssysteem. Het wordt gekauwd of in de mond gehouden tegen kiespijn en pijnlijke mondzweren. Tevens wordt het gebruikt bij botbreuken en voor het desinfecteren en genezen van wondjes [3,7].

Farmacologie en toxicologie
Er bestaat veel empirische kennis over de effecten van coca. Een groot deel van het onderzoek is echter gedaan naar het cocaïnegehalte in het blad en ook het merendeel van het onderzoek naar medische toepassingen is gedaan met deze geïsoleerde tropane alkaloïde. Hierdoor ontstaat een vertekend beeld van het effect van het cocablad. De effecten van coca zijn waarschijnlijk een samenspel van meerdere inhoudsstoffen, waarover veel nog niet duidelijk is [7]. Zowel het cocaïnegehalte als de andere inhoudsstoffen zijn verschillend per soort en per seizoen. E. novogranatense verschilt bijvoorbeeld fundamenteel van E. coca in zowel het gehalte aan alkaloïden als flavonoïden. Daarnaast bevat E. novogranatense methylsalicylaat, dat niet in E. coca voorkomt. E. novogranatense var. truxillense bevat het hoogste gehalte methylsalicylaat. E. coca var. coca en E. coca var. ipadu hebben beide hetzelfde flavonoïdenprofiel. E. novogranatense var. Truxillense heeft met beide variëteiten van E. coca de 3-O-arabinosides van kaempferol en quercetin gemeen, die echter niet voorkomen in E. novogranatense var. novogranatense. Beide variëteiten van E. novogranatense bevatten de bijzondere flavonoïde 4’,7-di-O-methylquercetin-3-O-rutinoside, die weer niet voorkomt in E. coca [1,8].

Een cocablad bevat gemiddeld tussen de 0.1 en 0.9% cocaïne. Volgens een Boliviaans onderzoek lag na het kauwen van 30 g cocablad het cocaïnegehalte in het bloed rond de 98 ng [7]. De mond kan echter maar 8-10 g blad per keer bevatten. De bladeren blijven een tijd in de wangholte zitten, waardoor de extractie langzaam gaat en bovendien wordt tijdens dit proces niet alle cocaïne geëxtraheerd. Na verloop van tijd worden de bladeren uitgespuugd [4]. Daarnaast varieert de halfwaardetijd van cocaïne van een half tot anderhalf uur. In werkelijkheid zal de gemiddelde dosis opgenomen cocaïne door middel van kauwen dus lager liggen, aangezien de meeste mensen niet zoveel coca gebruiken en de gebruiker niet alles opneemt. Een lijntje cocaïne daarentegen bevat ongeveer 20-50 mg van het cocaïne-hydrochloride en een cocaïnegebruiker neemt doorgaans meer dan een dosis. De cocaïneconcentratie in het bloed bij het gebruik van gezuiverde cocaïne is bijna vijftig keer hoger dan bij het kauwen van het blad [7]. De toxische effecten van de andere alkaloïden in cocabladeren lijken aanzienlijk minder dan het effect van cocaïne. Een toxicologisch onderzoek op ratten liet bijvoorbeeld zien dat benzoyl-ecgonine en ecgonine-methylester (ecgonine is een tropaan-alkaloïde uit coca, red.) niet dezelfde toxische effecten vertoonden als cocaïne wanneer ze in dezelfde hoeveelheid werden toegediend. Bij een dosering die 30 tot 60 keer hoger lag, waren er lichte gedragsveranderingen waarneembaar. In deze studie bleek ook dat benzoylecgonine, in doses die 100 keer hoger waren dan die van cocaïne, nog steeds niet dodelijk was [7].

Traditionele gebruikers van coca krijgen dus maar heel weinig cocaïne binnen, in tegenstelling tot gebruikers van het zuivere isolaat. Bovendien is in landen waar coca wordt gebruikt de consumptie gereguleerd door cultuur en traditie. Zo zijn er sociale voorschriften voor het gebruik en dit blijft bij de individuele gebruiker gelijkmatig in hoeveelheid en frequentie [4]. Biondich en Joslin geven aan dat er in de literatuur geen bewijs is dat het gebruik van coca leidt tot verslaving of onthoudingsverschijnselen [7]. Dienstplichtigen in Peru die gewend waren om coca te kauwen, vertoonden geen ontwenningsverschijnselen toen ze het gebruik ervan moesten staken. Urbanisatie kan leiden tot verminderde toegang tot coca, maar ook bij deze migranten zijn geen onthoudingsverschijnselen geconstateerd [4,6].

Honger
Volgens traditionele gebruikers onderdrukt coca het hongergevoel. Onderzoek laat zien dat cocagebruik effect heeft op de glucose-homeostase. Een laag bloedglucoseniveau veroorzaakt onder andere een gevoel van ‘trek’. Het kauwen van coca doet de glucosespiegel in het bloed stijgen, wat zou kunnen verklaren waarom gebruikers beweren dat coca het hongergevoel vermindert [7]. Een bekend bezwaar tegen dit effect is dat het zou leiden tot ondervoeding. Het idee dat coca honger stilt, wat weer leidt tot verminderde voedselinname en daarmee tot ondervoeding, is een hardnekkige mythe gebleken. In de jaren 1930-1950 heeft Carlos Gutiérrez Noriega, een voorvechter van het verbod op het gebruik van het blad, een hypothese opgesteld die gebruikt is bij het uiteindelijke verbod op de plant. Hij beweerde dat het gebruik van coca leidt tot ondervoeding. Gutiérrez baseerde zijn claim op het eenzijdige dieet van de gebruikers, waarbij hij belangrijke factoren zoals armoede en beschikbaarheid van voedsel achterwege liet. Indien er een verband zou bestaan, zou het andersom meer plausibel zijn: armoede leidt tot verminderde voedselinname, honger en ondervoeding, wat leidt tot gebruik van coca om de honger te onderdrukken [9]. Hoewel coca het hongergevoel kan onderdrukken, houdt het gebruikers niet tegen om te eten wanneer dat mogelijk is [4,10].

In tegenstelling tot de hypothese van Gutiérrez kan coca mogelijk ruimschoots voldoen aan een dagelijks aanbevolen hoeveelheid van verschillende vitaminen en mineralen. Duke, Aulik en Plowman deden in 1975 onderzoek naar de nutritionele waarde van Erythroxylum coca Lam. in vergelijking met 50 andere Latijns-Amerikaanse groenten. Zij concludeerden dat 100 g coca een hoger gehalte aan calorieën heeft (305 vs. 279). Daarnaast bevat coca meer eiwitten (18,9 g vs 11,4 g), koolhydraten (46,2 g vs. 37,1 g), vezels (14,4 g vs. 3,2 g), calcium (1.540 mg vs. 99 mg), fosfor (911 mg vs. 270 mg), ijzer (45,8 mg vs. 3,6 mg), vitamine A (11.000 IU vs. 135 IU) en riboflavine (1,91 mg vs. 0,18 mg) [11].

Hoogteziekte
Het voorkomen van hoogteziekte is bij reizigers wellicht de meest bekende medicinale toepassing van coca. De ijle lucht op grote hoogte veroorzaakt onder andere hoofdpijn en duizeligheid. Bij aankomst in de Andes krijgt de toerist dan ook al snel cocathee aangeboden. Cocagebruikers geven aan dat ze minder last hebben van de koude en van hoofdpijn, duizeligheid en vermoeidheid die worden veroorzaakt door hypoxie (zuurstofgebrek). Er wordt dan ook vaak uitgegaan van een verband tussen hoogte en het gebruik van coca, want hoe hoger de bewoning, hoe vaker en hoe meer mensen coca kauwen [4,7,10]. Maar hoogte is niet de enige verklaring voor het gebruik van coca. Wanneer historische, archeologische, botanische en antropologische gegevens worden meegenomen, ontstaat een completer beeld. Bray en Dollery maakten inzichtelijk dat in de periode voor de komst van de Europeanen coca zowel in hoog- als in laagland werd gebruikt en dat het gebruik zich uitstrekte van Nicaragua tot Chili. De regio’s waar tegenwoordig de meeste coca wordt geconsumeerd, zijn de regio’s waar de traditionele Indiaanse cultuur het best bewaard is gebleven. Dit geldt echter voor zowel hoog- als laagland [12]. Hoogte is dus slechts een van redenen waarom mensen coca gebruiken. Een fysiologische reactie op leven of langer verblijf op grote hoogte is de aanmaak van meer rode bloedcellen, waardoor het lichaam toch van voldoende zuurstof kan worden voorzien. Indien er te veel erythrocyten zijn aangemaakt, spreekt men van (secundaire) polycytemie. Symptomen hiervan komen deels overeen met die van hoogteziekte, namelijk vermoeidheid en hoofdpijn. Het kauwen van coca verlicht deze symptomen.

Een hypothese die vaak wordt aangehaald is die van Fuchs: hij veronderstelt dat hypoxie onvermijdelijk leidt tot polycytemie en dat dit veel voorkomt bij bewoners van de Andes. Hij constateert dat coca het aantal erytrocyten doet afnemen. ‘Zuurstofgebrek doet het aantal rode bloedlichaampjes stijgen, coca brengt het weer omlaag’, aldus Fuchs. Hij onderbouwt dit verder door aan te geven dat mijnwerkers, die zuurstofgebrek hebben wegens silicose (stoflong), de meeste coca gebruiken. Maar deze mijnwerkers werken niet altijd op grote hoogte. Volgens Fuchs gebruiken zij coca om de polycytemie te verlichten die ze door de silicose hebben opgelopen. Hij suggereert dat cocaïne en de metaboliet ecgonine, wellicht de erytropoëse remmen waardoor de symptomen van polycytemie verlicht worden [13].

Er zijn echter bezwaren tegen deze hypothese. Ten eerste het onderzoek waarop de hypothese is gebaseerd: het dorp waar de meeste mensen coca gebruikten, ligt op slechts 720 meter hoogte. Hypoxie begint doorgaans gemiddeld vanaf een hoogte van 3.000 meter, waardoor de omstandigheden om polycytemie te ontwikkelen ontbraken [14]. Ten tweede lag de hematocrietwaarde (de hoeveelheid rode bloedcellen per liter bloed) van het merendeel van zowel de cocagebruikers als van de controlegroep ver beneden de waarde waarop polycytemie wordt gediagnosticeerd [15]. Ten derde lijkt polycytemie in het Andesgebergte niet zo veel voor te komen als vaak wordt aangenomen. Polycytemie geeft pas serieuze cardiovasculaire klachten als het aantal rode bloedcellen 70% hoger is dan normaal. Garruto en Dutt onderzochten 303 jongens en mannen in de leeftijd van 6-57 jaar die op een hoogte van 4.200 meter leven. Zij constateerden bij alle leeftijdsgroepen een verschil van slechts 10-12% meer erytrocyten ten opzichte van mensen die op zeeniveau leven. De onderzoekers toonden aan dat de hypothese, dat Andesbewoners aan polycytemie leiden, niet houdbaar is omdat het merendeel van de onderzoeken hiernaar zijn gedaan met mijnwerkers en niet met ‘gewone’ bevolking van alle leeftijden. Mijnwerkers hebben een andere pathologie dan gezonde bewoners van het hooggebergte. Er is bijvoorbeeld een studie met mijnwerkers die een sterk verband aantoonde tussen silicose en polycytemie. Garruto en Dutt gaan ervan uit dat wanneer polycytemie zich voordoet, dit een combinatie kan zijn van meerdere factoren, zoals chronische luchtwegproblemen en hoogte. De reactie is dan tevens pathologisch en niet alleen adaptief [16].

Het Boliviaans Instituut voor Hoogtebiologie constateert dat men coca begint te gebruiken rond de leeftijd van ongeveer twintig tot dertig jaar [3]. In het onderzoek van Garruto en Dutt gebruikten de meeste volwassenen coca. Kinderen en adolescenten in de bergen, die geen coca gebruiken, zouden een duidelijk hogere hematocrietwaarde moeten hebben in vergelijking met eenzelfde leeftijdsgroep op zeeniveau. Indien coca de erytropoëse zou remmen, zou dit verschil bij volwassenen die coca gebruiken lager moeten zijn. Toch is bij de laatste groep hetzelfde procentuele verschil geconstateerd als bij de kinderen en adolescenten. De auteur van dit artikel is in 1996 op grote hoogte in Bolivia geweest en begreep dat de lokale bevolking vermoedde dat coca de aanmaak van rode bloedcellen juist stimuleert, waardoor het lichaam zich sneller aan de hoogte aanpast. Wanneer men enige tijd in hooggelegen gebieden doorbrengt, is een toename van rode bloedcellen een functionele fysiologische reactie van het lichaam: het past zich aan de omstandigheden aan. Indien coca de erytropoëse zou remmen, zou men het waarschijnlijk niet gebruiken om hoogteziekte te voorkomen. Rodriguez et al. constateerden in hun onderzoek een sterkere stijging van hemoglobinegehalte en de hematocrietwaarde bij gebruik van coca ten opzichte van de controlegroep [17]. Wellicht heeft coca een regulerende werking, indien het de aanmaak van rode bloedlichaampjes zowel kan remmen als stimuleren.

Koude
Gebruikers geven aan dat ze baat hebben bij coca, omdat ze zich warmer voelen en beter tegen de kou bestand zijn die op grote hoogte voorkomt. Hanna heeft dit onderzocht door veertien mannen coca te laten kauwen, terwijl ze twee uur lang blootgesteld werden aan een temperatuur van 15.5°C. De onderzoeker vergeleek de verkregen effecten met dezelfde groep als controle onder dezelfde omstandigheden, met uitzondering van het cocagebruik. De proefpersonen vertoonden lagere temperaturen van handen en voeten wanneer zij coca gebruikten. Bovendien vertoonden zij gedurende het tweede uur een meer geleidelijke daling van de lichaamstemperatuur. Daarnaast vertoonde de cocagroep hogere temperaturen van het hoofd. Deze effecten werden toegeschreven aan een milde perifere vasoconstrictie die het coca-kauwen teweegbracht, waardoor de lichaamswarmte beter behouden zou kunnen worden [18].

Een eerder onderzoek van Little liet echter geen verschil zien in temperatuur van de voeten bij het gebruik van coca [19]. Geen van beiden vermelden welke soort coca is gebruikt. Hanna heeft echter een veel hogere dosering gebruikt dan Little. Hanna gaf de proefpersonen 50 g blad, met de instructie om de hele dag voorafgaand aan het experiment te kauwen. Tijdens het experiment van Hanna kauwden de proefpersonen minimaal 45 g per uur gedurende de twee uur blootstelling aan 15,5°C. Little gaf 3-4 g coca tijdens het experiment, dat een uur duurde bij 0°C. De verschillende uitkomsten zouden met de opzet van de onderzoeken te maken te kunnen hebben, en dan met name met de dosering en frequentie van gebruik. Omdat botanische namen ontbreken, kan de soort coca ook van invloed zijn geweest op de effecten. Daarnaast wordt coca zowel in hoog- als in laagland gebruikt. De laaglanden hebben een tropisch klimaat en behoefte aan meer lichaamswarmte is niet waarschijnlijk. Mijnwerkers, de grootste groep cocagebruikers, verkeren in omstandigheden waar het zowel warm als koud kan zijn. Mijnen bevinden zich zowel op hoogte als in de laaglanden, maar ook op hoogte kan het warm zijn binnenin een mijn. Het lijkt dus niet plausibel dat coca traditioneel wordt gebruikt omdat het de lichaamstemperatuur verhoogt, tenzij er andere factoren in het spel zijn, zoals bijvoorbeeld de dosering of de soort.

Uithoudingsvermogen
Traditionele gebruikers geven aan dat ze meer uithoudingsvermogen hebben en minder snel moe zijn als ze coca consumeren. Deze werking is in Europa bekend geworden door de Corsicaanse apotheker Angelo Mariani, die eind negentiende eeuw een wijn op basis van cocabladextract op de markt bracht, die hij als versterkend middel aanbeval. Mariani maakte verschillende cocaproducten, waaronder Velo Coca: doping voor fietsers [20]. Meerdere onderzoekers hebben de stimulerende werking van coca onderzocht (Favier et al. 1996; idem 1997 en Spielvogel et al. 1996). Allen zagen slechts een toegenomen stabiliteit van de glucose-homeostase [21]. Casikar et al. kunnen duidelijkere conclusies trekken. De resultaten van hun pilot study suggereren dat door middel van kauwen de stoffen in het cocablad de glycolyse (afbraak van glucose) blokkeren door remming van het enzym pyruvaatkinase. Dit resulteert in accumulatie van glucose en pyruvaat. Aan de energiebehoefte bij inspanning wordt in dat geval voldaan door afbraak van vetten middels beta-oxidatie van vetzuren. De onderzoekers geven aan dat het erop lijkt dat kauwen op cocabladeren een versterkend effect heeft op de energievoorziening bij langdurige (gelijk)matige lichaamsinspanning. Daarbij lijkt dus vooral de energievoorziening vanuit de vetreserves in het lichaam die nodig is bij langdurige inspanning gestimuleerd te worden. Deze experimentele bevindingen wijzen erop dat het kauwen van coca nuttig kan zijn bij fysieke inspanning en dat de effecten ervan over een langere periode merkbaar zijn. Casikar et al. suggereren ook dat het mogelijk is dat de positieve effecten van het kauwen van cocabladeren in verband staan met de flavonoïden in het blad en niet met de cocaïne. Zij stellen dat de hoeveelheid cocaïne die vrijkomt bij traditioneel gebruik, extreem klein is en achten het niet waarschijnlijk dat dit enig fysiologisch voordeel heeft [22]. Een bezwaar tegen dit kleine onderzoek is echter dat slechts vier van de tien proefpersonen twee keer bloed wilden laten afnemen. Het is tevens niet bekend met welke cocasoort het onderzoek is gedaan. Het eerder genoemde onderzoek van Rodríguez et al. toonde aan dat coca het lichaam van meer zuurstof kan voorzien door de aanmaak van meer erythrocyten, wat het uithoudingsvermogen ook ten goede zou kunnen komen. Misschien is hiermee, in combinatie met de uitkomsten van Casikar et al., een tipje van de sluier opgelicht.

Conclusie
Onderzoek naar de werkingsmechanismen van Erythroxylum spp.is een nog bijna onontgonnen gebied. Bij een groot deel van de onderzoeken ligt de focus slechts op een inhoudsstof, waarvan het belang ter discussie staat. Bovendien is in de meeste onderzoeken naar de werkzaamheid van het blad niet vermeld welke soort Erythroxylum is gebruikt. Er is dus nog maar heel weinig bekend over de specifieke werkingsmechanismen van ‘coca’ en nog minder over de werkingsverschillen tussen de diverse soorten en variëteiten. Empirische informatie is echter ruimschoots aanwezig en kan een bron van inspiratie zijn voor verder onderzoek, bijvoorbeeld naar de vermeende regulerende werking op de spijsvertering en mogelijk ook op de erytropoëse. Een multidisciplinaire benadering van onderzoek is wenselijk, omdat de effecten van een plant met zoveel facetten zoals coca, zich niet eenvoudig laten verklaren.

 

Referenties
[1] Plowman, T. The Ethnobotany of Coca (Erythroxylum spp., Erythroxylaceae). Advances in Economic Botany. 1984;1:62-111.

[2] Plowman T. en Henshold N. Names, types, and distribution of neotropical species of Erythroxylum (Erythroxylaceae). Brittonia; 2004;56:1-53.

[3] Villena Cabrera M. en Sauvain M. (ed). Usos de la hoja de coca y salud publica. Instituto Boliviano de Biologia de Altura (IBBA), La Paz 1997.

[4] Hurtado Gumucio, J. Cocaine the Legend. About Coca Leaves and Cocaine. La Paz: Hisbol, 1995.

[5] Forsberg, Alan. The Wonders of the Coca Leaf. Transnational Institute: Amsterdam, 2011.

[6] Stolberg VB. The Use of Coca: Prehistory, History, and Ethnography. Journal of Ethnicity in Substance Abuse. 2011;10:126–146.

[7] Biondich AS en Joslin JD. Review Article Coca: The History and Medical Significance of an Ancient Andean Tradition. Emergency Medicine International. 2016. http://dx.doi.org/10.1155/2016/4048764.

[8] Plowman T. The identification of coca (Erythroxylum species): 1860-1910. Botanical journal of the Linnean Society. 1982;84:329-353.

[9] Burchard RE, Bolton R, Heath DB, Hill MH, Hopp M, Leonard WR, Pollock NJ, Strickland SS, Weil J en Wilson CS. Coca Chewing and Diet [and Comments]. Current Anthropology. 1992;33,1:1-24.

[10] Torchetti T. Coca Chewing and High Altitude Adaptation. Totem. 1994;1,1,16.

[11] Duke JA, Aulik D. en Plowman T. Nutritional Value of Coca. Botanical Museum leaflets Harvard University. 1975;24,6:113-119.

[12] Bray W. en Dollery C. Coca Chewing ad High-Altitude Stress: A Spurious Correlation. Current Antropology. 1983;24,3:269-282.

[13] Fuchs A, Burchard RE, Curtain CC, De Azeredo PR, Frisancho AR, Gagliano JA, Katz SH, Little MA, Mazess RB, Picon-Reategui E, Sever LE, Tyagi D. en Shear Wood C. Coca Chewing and High-Altitude Stress: Possible Effects of Coca Alkaloids on Erythropoiesis [and Comments and Reply]. Current Anthropology. 1978;19,2:277-291.

[14] Frisancho, RA. Commentaar op Fuchs et al. Coca Chewing and High-Altitude Stress: Possible Effects of Coca Alkaloids on Erythropoiesis [and Comments and Reply]. Current Anthropology 1978;19,2:277-291.

[15] Shear Wood, C. Commentaar op Fuchs et al. Coca Chewing and High-Altitude Stress: Possible Effects of Coca Alkaloids on Erythropoiesis [and Comments and Reply]. Current Anthropology. 1978;19,2: 277-291.

[16] Garruto RM. en Dutt J. S. Lack of prominent compensatory polycythemia in traditional native andeans living at 4,200 meters. Am. J. Phys. Anthropol. 1983;61: 355–366. doi: 10.1002/ajpa.1330610310.

[17] Rodriguez A, Guillon L, Chavez de M. Usos de la hoja de coca y hematologia. In: Villena Cabrera M. en Sauvain M. (ed). Usos de la hoja de coca y salud publica. Instituto Boliviano de Biologia de Altura (IBBA), La Paz 1997: 78-82.

[18] Hanna JM. Responses of Quechua Indians to coca ingestion during cold exposure. American Journal of Physical Anthropology. 1971;34,2: 273–277.

[19] Little, M. Effects of alcohol and coca on foot temperature responses of highland Peruvians during a localized cold exposure. Am. J. Phys. Anthrop. 1970;2,32:233-242.

[20]Algera M. Mens en medicijn. Geschiedenis van het geneesmiddel. Amsterdam: Meulenhoff, 2000: 401.

[21] Biondich AS en Joslin JD. Coca: High Altitude Remedy of the Ancient Incas. Wilderness & Environmental Medicine. 2015;26:567–571. [22] Casikar V, Mujica E, Mongelli M, Aliaga J, Lopez N, Smith C. en Bartholomew F. Does Chewing Coca Leaves Influence Physiology at High Altitude? Indian Journal for Clinical Biochemistry. 2010;25,3:311–314. 291.

 

Auteursgegevens
Drs. Maaike van Kregten studeerde Latijns-Amerika studies aan de Universiteit van Utrecht en fytotherapie bij Herba Sanitas. Zij is columnist, docent, therapeut en lid van de redactie van dit tijdschrift. Reacties naar: m.vankregten@yahoo.com.